Jan Bremer over de Kunstkop van Noord-Holland

Op uitnodiging van de Dorpsvereniging deed Jan Bremer op 20 november een boekje open over de geschiedenis van de kop van Noord-Holland. Al snel werd duidelijk dat deze kop in feite een kunstkop is, wat de meeste van ons natuurlijk al wisten. Wat we niet wisten, of niet altijd beseften, is dat Van Ewijcksluis in het rijtje van Oude Sluis, Nieuw Sluis en Kleine Sluis de roemrijke positie inneemt van Grote Sluis. Een beetje meer respect voor dit voormalig arbeidersdorp was en is dus wel op zijn plaats.

 

Bremer had voor elke bezoeker een plattegrond mee van het Hollandskwartier in 1300. Ondanks het gebrekkige licht in ons donkerbruine Café was hiermee zijn verhaal goed te volgen. (en anders kijkt u maar mee in deze krant). We vermoeden dat Bremer de insteek had om chronologisch de geschiedenis door te gaan, maar in zijn enthousiasme week hij er wel eens van af, en raakten wij het spoor bijster. Desondanks hoop ik hieronder toch een juiste weergave te geven. Wat ik niet kan doen is al de leuke anekdotes op even vermakelijk wijze navertellen; dan had u er ook zelf maar bij moeten zijn.

Veen/Vikingen

Bremer begon zijn verhaal met de tijd vóór 1300 n Chr. Dat was verassend want de meeste van ons namen toch aan dat er toen niet veel meer dan water was. De oude schoolmeester leerde ons echter over een landschap en bewoners rond 800. In de tijd van Karel de Grote was tussen Texel en Wieringen alles begroeid. Het was veengebied met wat riviertjes en openingen naar zee. Het Lutjemeer heette toen Lotmeer en betekende ‘klein meer’ . De zee nam geen bezit van dit gebied omdat het veen werkte als een spons. Wel was het zo dat de eilanden Texel en Huisduinen zich verplaatsten; aan de noordkant snoepte de zee grond weg en aan de zuidkant kwam het erbij. Huisduinen lag 5 km verder naar het noorden en we kunnen ons voorstellen dat er heel wat gebouwd en herbouwd is in dat dorp. Ook na 1300. In 1514 een nieuwe kerk en tachtig jaar later weer. (Overigens, Huisduinen is in 1604 getroffen door een pestepidemie die onder 1200 inwoners 800 slachtoffers maakte. Tussen Huisduinen en Het Geminiziekenhuis ligt het oude kerkhof.). Dit veenland was voor 1300 ook bewoond, want dat blijkt uit archeologische vondsten; sporen op het Balgzand en in de Oostpolder, kerkhoven achter het Kraayenest en schuin achter de Willemshoeve.

In de tijd van de Noormannen en de Vikingen, 850 na Chr. konden deze lieden vrij makkelijk landinwaarts komen. Heel Wieringen lag ingebed in het veen. De enige plaats die echt aan zee grensde, was De(n) Oever. Vandaar ook die naam. De Vikingen gingen van Den Oever naar Medemblik (Middelleek) en via riviertjes gingen ze naar de Vecht en zo naar Wijk bij Duursteden. De Vikingen kwamen ook aan de andere kust aan land bij Egmond. Hier zetelden monniken, de enige lieden in die tijd die konden schrijven. Zoals de monniken de zaken optekenden zo overleven de verhalen nu nog. Dat ook de Nederlanders geen lekkere jongens waren, vinden we in deze geschriften meestal niet terug. Maar volgens Bremer trok menig Hollander met de Vikingen mee bijvoorbeeld naar Brittannië.

Opwarming/ontginning

In de tiende-12 eeuw hadden we net als nu te maken met klimatologische veranderingen en daardoor opwarming van de aarde. Nu speelt misschien luchtvervuiling een rol, maar eigenlijk zijn deze veranderingen van alle tijden. We kregen in dit tijd te maken met eb en vloed en getijdenrivieren. Er werden waaiersluisje ingezet en het begin van de ontginning en de land bouw was een feit. Stukje veen werden verbrand en hierop werden gewassen verbouwd. Maar het verbrande veen oxideerde en verdween daarmee de lucht in. Dat betekende keer op keer een verplaatsing van landbouwgrond. Akkerland werd weideland en later kwam het gewoon onder water te staan. Het ging nog sneller bergafwaarts toen kloosterlingen uit Harlingen zich ermee gingen bemoeien. Het Marsdiep brak door; de zee maakte contact met riviertjes erachter en daarmee overstroomde het land.

In 1300 was het dus een puinhoop en was alles water. (Hierna volgde een anekdote over Piet Palidanus vrij vertaald Piet Prut, een het voorbijdrijven van doodkisten.. Na deze vondst en een wetenschappelijke uitgevoerde botmeting, constateerde men in die tijd dat er vóór 1300 toch echt geen reuzen in de Oostpolder hebben gewoond).

Door al het water stond de Westfriese dijk die alles moest tegenhouden in die tijd behoorlijk onderdruk. Dit was een reden om in 1550 te starten met inpoldering. Jan van Scorel was initiatiefnemer, geholpen met het geld van een Brabantse belastingontvanger. Andries Vierling zorgde voor praktische uitvoering. Het begin van de Zijpe werd echter in 1570 te niet gedaan door de Allerheiligenvloed. In 1573 is de dijk expres doorgestoken om de Spanjaarden uit Alkmaar te jagen. Na 25 jaar belef van Alkmaar met succesvolle afloop, werd in 1597 de Zijpe definitief bedijkt. In 1610 is de Wieringerwaard er tegenaan geplakt. Ook toen kwamen de financiën van particulieren, voornamelijk kooplui dit nieuwe land als investering zagen. Zelf woonden ze in Alkmaar of Amsterdam en in de zomer als hun eigen grachten fors stonken, kwamen ze frisse lucht scheppen in de polder. In die tijd werden plantages aangelegd tegen het verstuiven. Er werd ook veel gejaagd, meer voor de sport dan uit noodzaak. Hiervan overgebleven zijn nog het Ananasbos en het Wildrijk. De zandgronden waren waardeloos, maar langs de Grote sloot vond men klei en daar zaten dan ook de boeren. Het Oude Veer (vroeger het Oude diep) liep door tot het Balgzand en in de zeventiende Eeuw overwinterden hier de oorlogsschepen. De achttiende eeuw was een dieptepunt met veepest, paalworm en andere rampen. In 1820 is het Noord Hollands kanaal gegraven. Dit is met de hand gebeurt en er zijn veel slachtoffers bij gevallen. Hierlangs ligt de Koegrasdijk, een schapendijk die gevrijwaard was van rotkreupel. De Schorweg (schorren) leverde grond voor de andere dijkhelling. 

Toen volgde de tijd van het inpolderen. In Anna Paulowna kwamen de Westpolder en de Oostpolder met twee nederzettingen Van Ewijcksluis en de Geldersbuurt. Hier waren polderjongens gehuisvest en velen bleven hangen. Het waren arbeidersdorpjes. De boeren zochten het beste land op en dat was in Wieringerwaard en de Oostpolder. De eerste ploeg was een stoomlocomobiel. De school kwam, ondanks dat Van Ewijcksluis meer inwoners had, te staan bij de boeren. De arbeiderskinderen konden wel lopen. Door de polder ging tot 1930 een tram, met ondermeer wier van Wieringen voor exportdoeleinden. In 1920 schakelden martelende  keuterboertjes op zandgrond langzaam over naar bollenteelt. De crisis werd overleefd en mede door de komst van kunstmest is dit een economisch belangrijke sector geworden.

Textielverkoper

Bremer praatte de laatste 20 minuten vooral over zijn eigen belevingen en ervaringen als zoon van een textielverkoper die voor en net na de oorlog vanuit Den Helder in ondermeer Breezand en Anna Paulowna zijn klanten bezocht. De oorlogsjaren waren indrukwekkend, wonende bij de frontlinie in de marinestad en dan ook nog in contact staand met Joodse handelaren. Tijdelijk woonde Bremer in Breezand, aan de Zandvaart en later de Schorweg.

Wie op deze avond verwachte om de geschiedenis en levenswandel van Lou de Palingboer, die geloofde dat hij God was, te vernemen, kwam bedrogen uit. Jan Bremer heeft Lou maar een keer gezien en dat was toen hij (Jan) bij de broer van Lou (Piet) de kippen had losgelaten. Jantje Bremer werd toen door ‘God’ uit de handen van Piets vrouw gered. En dat is de reden dat wij op 20 november de schrijver en meesterverteller Jan Bremer in Van Ewijcksluis mochten ontvangen. Bremer ging naar huis met een pondje paling en een kruidenbittertje. Bedankt ook dorpsvereniging voor dit cultureel initiatief. !!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!