Moord in de polder

Met angst en beven wachten de bewoners van de Anna Paulowna polder dit jaar af, of en wanneer er rond de paastijd opnieuw een dode valt te betreuren. Voor buitenstaanders klinkt dit misschien onwaarschijnlijk of fantasierijk, maar alsje in de polder woont weet je waar dit over gaat. Komen de paasdagen, dan komt er ellende. Ligt het aan een bepaalde magnetische sfeer die op dat moment en op die plaats de aanwezig is? Zijn het de aardstralen of zijn het de sterren? Of  is er een menselijke hand in het spel? Niemand in de polder die het weet. 

 

Feit is dat in de voorgaande twaalf jaar elk jaar iemand niet meer thuiskomt, omdat het meest onheilspellende wat je kan overkomen diegene is overkomen. De politie tast in het duister. De wetenschappers die er zijn bijgehaald, komen ook niet verder.  En je zou toch denken dat na zoveel jaren en zoveel gevallen….. Dat de bevolking nu weer in het ongewisse verkeert, is des te vervelender omdat vorig jaar toch echt de ontknoping op handen leek te zijn. Dat was het jaar waarin het ontzielde lichaam van de huishoudster van meneer Pontiac werd gevonden. Ze lag achter in de aardappelvelden, op een plek die tegenwoordig bekend staat als 'het sigarendoosje'.

Meneer Pontiac is een nog altijd kwieke, enigszins op leeftijd gevorderde vrijgezel die aan de Zwinweg, midden in de Oostpolder bieten en aardappelen teelt. Na het overlijden van zijn moeder ging de aardappelboer op zoek naar een deskundige vrouw die zijn huishouden wilde bestieren zoals hij dat graag zag. Dat hield in dat zijn smetteloos witte huis ook beslist smetteloos moest blijven. Dat de dingen die hij bezat ontstoft moesten worden en op precies dezelfde plaats worden teruggelegd. Dat zijn was moest worden gewassen, gestreken en met de plooi naar voren in de statige linnenkast moest worden gelegd. Dat de tafel voor de lunch werd gedekt, met links van het bord het water en rechts het kopje voor de thee. En zo had hij nog wat van die eisen. 

Het was bij deze Pontiac dat - op wat je toen nog een goede morgen had kunnen noemen - het bloed gevaarlijk afstak tegen het wit van de daags daarvoor schoongeboende tegels. Jans, zoals zijn huishoudster heette, kwam zoals gewoonlijk om tien uur de boerderij in en zag dat haar werk volledig was teniet gedaan. Nu wist ze dat haar baas van de jacht hield en deze regelmatig uitvoerde onder het mom van noodzakelijk kwaad, maar van slachtpartijen was ze altijd verschoond gebleven. Ze had het nooit gemerkt en zeker niet in de keuken. Nog vreemder vond ze het dat er behalve bloedsporen geen sporen waren van welk dier dan ook. Wel zag ze braaksel. Klonterig braaksel dat ze bij de eerste aanblik direct door het putje spoelde opdat de geur ervan haar neus niet zo bereiken. Wat natuurlijk niet lukte en haar nog meer ontstemde dan ze al was.  

Ze beende de keuken uit. Ze zou Pontiac gelijk ter verantwoording roepen. Ze had zich na zoveel jaar trouwe dienst wel de positie verworven dat ze zich dat kon permitteren. Pontiac was immers zo goed als afhankelijk van haar poetslust. Die vrijgezel zou zonder haar verslonzen, hield ze zich voor, en in haar gedachten doemde soortgelijke figuren op die de polder rijk was. Waar zouden mannen alleen zijn, zonder vrouwen als zij. Wie maakte dat ze nog bewoonbaar woonden en vertoonbaar onder de mensen kwamen? Wie sprak met hen als moeder ten grave was gedragen? Toen Jans op zoek ging naar Pontiac kon ze hem echter nergens vinden. Dat was op zich niet heel vreemd, want hij vertrok wel vaker voor dag en dauw. Maar te voet ging hij eigenlijk nooit het erf af. Als hij de oude Ford niet reed, dan nam hij toch wel dat trekkertje dat hij zijn ‘Furg’ noemde. De beide voertuigen trof ze wel aan, maar de boer was nergens te bekennen. 

Danig uit haar humeur ruimde Jans die ochtend het bloed op. In de hoek bij de wasmachine vond ze ook nog eens een bloederige doek, bloederige pantoffels en een spoortje naar de grijze container. Ze was overigens niet van plan daar een blik in te werpen. Het stak haar Pontiac vertrokken was en dat hij zijn buit, wat het ook mocht zijn, had meegenomen. Als hij dan toch de keuken besmeurde, had ze ook wel een stukje wild willen proeven. Maar Pontiac was een zonderling. En een etensmaal in zijn aanwezigheid kon waarschijnlijk nooit een feestmaal worden. Toen ze na twee uur schoonmaken, stoffen en strijken het erf weer wilde verlaten, hoorde ze de slijptol in de werkschuur. De boer was teruggekeerd en scherpte zijn messen. 

Dat hij zich niet had laten zien, nam ze hem toch wel kwalijk. En dat wilde ze hem duidelijk maken ook. Maar toen ze hem benaderde en hem met een verbeten trek aan de slijptol zag staan aarzelde ze. In die tijd keek hij op en reageerde zichtbaar geschrokken, alsof ze hem ergens op betrapte. Ze had hem niet eerder zo gezien en de blik in zijn ogen zou ze niet vergeten. Zonder een woord te wisselen ging ze het pad af. In het hoekje van de schuur zag ze nog verse bloedsporen en een onbekend vrachtje. Ze zal nooit te weten komen wat het was. 

Dit verhaal vertelde ze bij thuiskomst aan Jopie, haar buurvrouw. Jans had met Jopie een goed contact. De twee vrouwen hadden beiden hun geschiedenis. Jopie had haar ooit eens opgevangen. Jans was jaren poetsvrouw geweest bij de kapelaan, totdat ze op staande voet ontslag nam. Ongewenste intimiteiten waren er geweest, maar volgens veel mensen had Jans er gewoon om gevraagd. Jans had de ‘air’ van een onafhankelijke vrouw en mannen konden dat nu eenmaal niet hebben. Alleen Jopie had oor gehad voor haar kant van het verhaal. Daarna hadden ze er nooit meer over gesproken. Jopie was sowieso een vrouw van weinig woorden. En daar kwam ook de politie achter toen ze probeerden bij Jopie een verklaring af te nemen. Een verklaring voor het feit dat Jans de volgende dag niet terug was gekeerd van haar dienst. Ze was gewoon op haar fietsje heen gegaan. ‘Ach, de oude draait wel weer bij’, had ze tegen Jopie gezegd. ‘Misschien was hij tijdens de jacht door een vos gebeten en had hij gewoon de smoor in gehad.’ Meer woorden had ze er niet aan vuil gemaakt. De agenten hadden op meer informatie gehoopt. Had Jans niet stiekem gezinspeeld op verdachte omstandigheden? Hadden beide dames zelf geen complottheorie ?  

Pontiac was het meest verdacht, maar er was niets concreets dat in zijn richting wees. Volgens zijn zeggen was Jans de volgende dag nooit aangekomen. Haar fiets lag inderdaad in de diepe talud van de sloot. Tweehonderd meter landinwaarts, aan het einde van de akker, lag Jans. Haar vermissing werd pas aan het begin van de avond doorgeven door Jopie, die die dag zoals elke eerste woensdag van de maand, bij haar dochter in Amsterdam had doorgebracht. Bij thuiskomst had Jans dan altijd een borreltje klaar om te toosten op de jeugd. Deze keer was het donker en kil in haar huis. De politie kwam pas de volgende morgen in actie en dan nog omdat Jopie connecties had op het bureau. Eerst vonden ze de fiets. Er waren honden bij nodig om ook het lichaam te ontdekken. Jans lag uitgestrekt; ze had veel kneusingen, maar geen open wonden. Wel een schedelbasisfractuur, maar die net zo goed van een val van de fiets zijn gekomen als van een klap op haar hoofd. Raadselachtig was wel dat fiets en lichaam ver van elkaar verwijderd waren. De aanwezigheid van een omgekieperd sigarenkistje met prullaria naast het lichaam konden de aanwezige politie evenmin verklaren. Pontiac had volgehouden dat hij Jans die dag niet had gezien. Maar dat kon hij ook zeggen van de dag hiervoor. Omdat zijn huis toch schoon was, was er volgens hem geen reden om alarm te slaan. De politie hield de vrijgezel nog een tijdje in de peiling, maar kon uit het gedrag van de boer niets opmaken behalve dat het zonderling was. En dat was geen misdaad.

Waar de politie zich na de vondst van Jans vooral mee bezig hield, was het vinden van de link met de andere elf moorden en/of verdwijningen. Was die link er nu wel  of niet? En wat hadden de eerdere moorden onderling met elkaar. Van de elf gevallen in totaal waren zeven lijken ontdekt en hiervan hadden er vier steekwonden en drie een klap op de hoofd gehad, ongeveer zoals Jans. De doden waren allen, op een na, vrouwen geweest en zes van hen waren boven de 35 jaar. Vijf mannen, tussen de twintig en de zestig, waren als vermist opgegeven. 

Wat de politie niet wist en nooit te weten zou komen, was dat het lijk van Jans al eerder was gevonden door Marjolein. Zij woonde aan de kruisweg, schuin achter Pontiac. Qua persoonlijkheid konden die twee niet meer van elkaar verschillen dan wat ze nu deden. Pontiac, die zich voornamelijk bezighield met de feiten en de arbeid die moest gebeuren en Marjolein die nogal in het zweverige was. Pontiac hield haar altijd met een scheef oog in de gaten en had haar meermalen te kennen gegeven dat hij niet gediend was van haar wandelingen op zijn land die zelfs weleens in de nacht plaatsvonden. Hij begreep niets van die vrouw en van de dingen die zij deed. Hoofdschuddend aanschouwde hij haar wanneer zij met haar wichelroede om haar huisje liep. Diezelfde wichelroede had ze ook bij zich toen hij haar van zijn land joeg. Pontiac droeg voor deze dingen geen belangstelling en vond ze verwerpelijk, kon het niet tolereren, al wist hij niet eens wat ze precies deed, dit had hij haar ook niet gevraagd. 

Marjolein daarentegen wist maar al tegoed waar ze mee bezig was. Zij geloofde in de boodschap van de natuur. In de natuurlijke heling van de kruiden in haar kruidentuin, de verstorende invloed van aardstralen die tussen haar huisje en Pontiac's bedrijf lagen en onderzocht de magnetische velden die zij kon waarnemen met haar  uit wilgenhout zelf gesneden wichelroede. Zij behoorde tot een club die zich in deze moderne tijd nog tot de hekserij voelde aangetrokken. Het was een ieder duidelijk dat Marjolein aan alternatieve geneeskunde deed, veel mensen hadden hier baat bij maar van die club, daar liep zij niet mee te koop, al stond zij daar in een bepaald aanzien o.a. door haar talent in heldervoelendheid.

Zo had Marjolein telkenmale rond de Paastijd een verhoogde magnetische straling opgemerkt. Dit merkte ze niet alleen aan haar wichelroede die dan zeer woest op en neer ging maar ook aan haar eigen lichaam. Als ze 's avonds door het veld liep leek het of haar huid zich strakker spande, haar keel werd droog en haar haren stonden overeind. Zij signaleerde dit elk jaar rond de Paastijd gedurende ongeveer drie dagen. Later las ze dan in de krant dat er weer een dode was te betreuren.

Dit jaar had ze de krant niet nodig gehad om te vernemen dat de sympathieke Jans, die geregeld voor haar voetenkwaal bij Marjolein langskwam, was omgekomen. Om een uur of twee in de nacht, de maan stond in zijn derde kwartier, liep Marjolein warmgekleed naar buiten. Zij had de slaap nog niet kunnen vatten. En wat was beter voor een goede nachtrust dan een heerlijke wandeling in de frisse lucht, aldus Marjoleins gedachte die nog niet kon weten welke verschrikkelijke vondst zij zou gaan doen en dat zij die hele nacht geen oog meer dicht zou doen.

Voor ze de aardappelvelden opstapte keek ze of er nog licht brandde bij haar buurman Pontiac. Ze wilde voorkomen dat hij haar in zijn velden zou waarnemen en misschien weer ging wegjagen. Voor haar deden landsgrenzen er veel minder toe dan dat bij Pontiac het geval was. Ze kon niet begrijpen dat iemand zo stram en vreugdeloos kon leven zoals hij dat deed. Toch had ze geen hekel aan hem. Het was meer een soort van medelijden wat ze voor hem voelde.

Het was aardedonker in de richting van Pontiacs bedrijf waar ze naar toe tuurde. Mooi, dat verschafte haar de vrijheid. Haar wichelroede had ze thuisgelaten, deze nacht geen onderzoek maar een ontspannen wandeling. Ook de andere lichamelijke tekens van onheil waren deze nacht afwezig. De gedachte aan een eventuele dode drukte ze weg, totdat ze wel heel letterlijk op de feiten werd gedrukt. Achter in het aardappelveld, ze was nu zeker een kilometer van haar huisje verwijderd, struikelde ze over een wat ze in eerste instantie dacht, een stapel aardappelzakken. Haar heldervoelendheid ten spijt, zag ze pas nadat ze de stapel betastte, dat het een dood lichaam was. En pas nadat de maan weer achter een wolk tevoorschijn kwam zag ze het bleke, natte, levensloze gezicht van Jans. Haar hart sloeg een slag over.

Marjolein was na de lugubere vondst niet direct naar huis gesneld. De politie alarmeren zou voor Jans toch niet meer baten. Het speet haar wel dat ze haar wichelroede niet had meegenomen maar door zich heel goed te concentreren moest ze er in kunnen slagen om toch bepaalde krachten te voelen. Het duurde nog geen vijf minuten voor ze in een soort trance was, waarbij al haar zintuigen op scherp stonden. Ze voelde alweer hoe haar huid zich spande. Ze realiseerde zich nu dat  dit gevoel vanmorgen  rond de klok van tien ook al in lichte mate aanwezig was geweest. Normaal zou ze er op hebben gereageerd, maar juist vanmorgen was ze druk doende met de voorbereiding van het Paascongres. Een keer per jaar kwam haar ‘heksenclub’ bijelkaar om zich te verdiepen in een actueel thema in de alternatieve geneeskunde of spiritualiteit. Dit jaar was Anna Paulowna de locatie en was het haar taak om voor een programma te zorgen. 

Omdat ze vanmorgen niet naar haar gevoel had geluisterd, kwam de klap nu dubbel zo hard aan. Het was een week voor Pasen. Voor de zoveelste paasmoord of verdwijning was het aan de vroege kant, maar onmogelijk was het niet. Ze liep het veld af in een straal van tweehonderd meter rond het ontzielde lichaam. Als ze in de richting van het bedrijf van Paludanus liep  werd ze misselijk; een gevoel van walging nam dan bezit van haar. Paludanus woonde zelf in een oud schoolgebouw, een halve kilometer bij Pontiac vandaan. Marjolein kwam nooit op zijn veld, gewoonweg omdat er geen dam naar toe was en de lust om slootjes te springen had ze niet. Pontiac was wat wereldvreemd, maar dat kon aan zijn vrijgezellenbestaan worden toegeschreven. Paludanus echter deed zich voor als een man van de wereld. Reed een dure auto, deed iets in aandelen en was meestal op pad voor een of ander landbouwproject in Oost-Europa of verder weg. Als Marjolein op klaarlichte dag langs zijn huis liep kreeg ze kippenvel. Ze had dit altijd in verband gebracht met het huis. Het deed haar door de plaatsing van deuren en ramen denken aan een gezicht. Een gezicht dat alles en iedereen beloerde. Of kneep jet juist een oogje dicht omdat het zelf veel te verbergen had?

Marjolein had nog in een zware tweestrijd verkeerd die nacht, na de vondst van Jans' lichaam. Eigenlijk wou ze Jans niet alleen laten, ook al was ze dood. Ze had bedacht dat ze misschien naar Pontiac moest gaan, hem wakker maken en vragen of hij kon helpen om het lichaam naar zijn huis te verslepen. Maar wat zou hij zeggen, zou hij haar überhaupt geloven? Ze had toch al 't idee dat Pontiac haar een beetje gek vond. Dus had ze die optie verworpen. Pontiac zou haar pas geloven wanneer hij 't lijk van Jans daadwerkelijk te zien zou krijgen. Marjolein wilde Jans ook wel naar 't huis van Pontiac brengen, ze hoorde daar toch een beetje thuis, ze had daar jaren gepoetst en geboend. Maar wat als Pontiac achter deze moord zat, dan kon hij haar ook nog weleens van kant maken. Dus had ze ook dat plan verworpen.

Ze had wel geprobeerd om Jans' lichaam naar haar eigen huis te verslepen. Na vier meter was ze hijgend naast het lichaam ingezakt. Dit hield ze nooit vol. Er bleef niets anders op dan Jans achter te laten. Ze voelde in haar wijde rokken of ze nog iets neer kon leggen bij Jans. Iets om haar eer te bewijzen en ook om haar niet helemaal alleen achter te laten.  Het enige wat ze nog had  was een sigarendoosje vol met met prullaria. Een paar steentjes, goed tegen van alles en nog wat (behalve de dood) , wat touw, een paar takjes en nog wat kruiden. Ze had het kistje op de buik van Jans gelegd. Waarom precies wist ze niet, maar het voelde wel goed en 't was inderdaad net of ze Jans iets minder in de steek liet. Ze was naar huis gegaan en had bij zichzelf gedacht dat ze niet meer kon doen dan dit en dat ze wel af zou wachten wat er de volgende dag ging gebeuren. Morgen zou een hectische dag worden en ze kon wel wat slaap gebruiken. Terwijl ze terug was gelopen had ze plannen bedacht om deze moord op het Paascongres centraal te stellen. Thuisgekomen kon ze de slaap niet meer vatten. Zo begaan was ze met het lot van Jans maar ook met het mysterie van de twaalfde paasmoord.

Pas bij het eerste ochtendgloren viel ze in slaap. Toen ze wakker werd, zag ze de politiemannen al in het veld lopen. Een van hen liep met Jans' fiets in de hand. Achter in het land, daar waar ze het lichaam had gevonden, zag ze een groepje mensen bij elkaar. Over de polderweg naderde de wagen van de lijkschouwer...  Ze vroeg zich af of ze die nacht met haar gewandel veel sporen had gemaakt in de normaal gesproken vette klei. Gelukkig was het al tijden droog geweest; wie weet viel het mee. Anders kon ze wel een bezoek verwachten, bedacht ze zich. Dat zou niet zo mooi zijn, want haar imago als aanhangster van een heksenclubje  was dan niet in haar voordeel. Ze probeerde deze gedachten van zich af te schudden. Afwachten had geen zin, de aanval was de beste verdediging. Maar wat kon ze aanvangen met haar eigen gevoel over de aard en oorzaak van deze moord?

Wat Marjolein vermoedde kwam uit. De politie kwam bij haar aan de deur. Van Pontiac hadden ze na een lang verhoor begrepen dat Marjolein soms lange wandelingen maakte en vaak in de nacht. Ze had vreemde gebruiken, hadden ze begrepen, maar nooit iemand kwaad gedaan. Dat voerde Marjolein dan ook meteen aan, toen de dienders voor haar deur stonden. Wat dachten ze wel, om haar met dit soort verhalen lastig te vallen. Gelukkig excuseerden de mannen zich snel. Ze was geen verdachte in de zaak, maar ze hadden haar gezien als mogelijke getuige. De lijkschouwer had vastgesteld dat het lichaam was verplaatst. Sporen hadden ze in de opgedroogde klei niet gevonden. Wel een vreemd soort kistje dat mogelijk uit Jans' kleding was gevallen of daar juist was opgelegd. Het kon niet in verband worden gebracht met Jans zelf. Misschien dat Marjolein het eens wilde bekijken. Wist ze met haar achtergrond wat de spulletjes die erin zaten betekenden? Kon het haar naar de dader leiden? 

Op dat moment kon ze de agenten niet anders vragen dan om geduld te hebben. Als ze al een antwoord kon geven op hun vragen, had ze hen gezegd, zou dit langzaam tot haar komen. De omstandigheden moesten daarvoor gunstig zijn en de tijd rijp. Ze wist niet of ze de politie hiermee had overtuigd, of juist aan het twijfelen had gebracht. De mannen lieten schouderophalend een kaartje achter en waren vertrokken. Als ze iets wist kon ze bellen. Het sigarenkistje namen ze mee. In de week tot Pasen vernam Marjolein alleen nog via de krant van de zaak. Een aantal keren had ze de politiewagens nog gezien bij Pontiac op het erf en eenmaal bij Paludanus.  

Voor haarzelf was het een verwarrende week. Ze voelde het als haar opdracht om de zaak verder te onderzoeken en haar gevoel zei haar dat ze haar spirituele vriendinnen erin moest betrekken. Als voorbereiding op het Paascongres had ze alle moorden uit het verleden op een rijtje gezet. Ze had niet, zoals de politie deed de feiten bekeken, maar gekeken maar omstandigheden zoals het weer, de afkomst van betrokken personen, de stand van de maan en de sterren, de plaats waarop de lijken waren gevonden (als ze al waren gevonden) en de reacties van de mensen er om heen. Dit was niet allemaal gemakkelijk te vinden geweest en haar dossier was dan ook incompleet. Misschien konden zij en de anderen tijdens de meeting in trance de doden verder onderzoeken. Om dit te bereiken, bereidde ze de sessie uiterst nauwkeurig voor. 

Het Paascongres werd een groot fiasco. Er bleek een dubbele boeking te zijn in hotel de Amstel; en de heksenkring werd hier de dupe van. Met duizenden excuses van het personeel werden ze dringend verzocht om op te stappen. Bij de eigenaar konden ze een claim indienen maar op dit moment hadden ze daar niets aan. De enige uitwijkmogelijkheid, het Visserstaveerne in Van Ewijcksluis, was eveneens bezet. Met z’n dertigen besloten ze om een mooie plek te zoeken in de open lucht. Hun oog viel op ‘De Verzakking’; moeilijk begaanbaar, maar wel zo interessant. Het weer was zacht en in plaats van een tweedaagse werd het nu een 24-uur show. So far so good, tot het begon te regenen. Het begon met een miezerig buitje, maar al ras gaf de lage struikbegroeiing geen beschutting meer en deed de ondergrond sompig aan. Het natuurgebiedje deed zijn naam eer aan. Het hield niet op met plenzen. Was dit andermaal een sardonische wending van het lot? Ook heksen zijn mensen (tegenwoordig) en ze spoedden zich naar hun auto’s op het parkeerterreintje bij de camping. De kantine was dicht en er zat niet veel anders op dan dat ieder haar weegs ging. Een paar gingen met elkaar naar huis maar van een seance kon geen sprake meer  zijn. Marjolein was zwaar teleurgesteld maar had geleerd zich in haar lot te schikken en dacht dat wellicht een hogere macht hier een bedoeling mee had. Thuis zette ze een lekkere kop kruidenthee voor haarzelf en liet de afgelopen gebeurtenissen nog eens goed op haar inwerken.

Op hetzelfde moment zat ook Pontiac aan zijn keukentafel te prakkiseren. Eigenlijk zat hij zwaar in de put. Zijn favoriete huishoudster was hij kwijt, hij had zich altijd gesteund gevoeld door Jans. De politie had hem tijdens het verhoor zwaar onder druk gezet om hem te laten bekennen dat hij haar had vermoord. Dit was hem ook niet in de kouwe kleren gaan zitten. Hij huiverde nog bij het idee dat hij meer dan zes uur in de verhoorkamer had doorgebracht en de methodes die ze tegen hem hadden gebruikt! Natuurlijk was hij niet achterlijk en was hij op de hoogte van het verhoorspelletje lieve agent en boze agent. Hij had ook weleens een boek gelezen en een film gezien, maar als je daar zelf voor zit, op jezelf aangewezen, dan kun je nog zoveel weten maar raak je na een tijdje evengoed aardig gebroken. Ook hij ging alle gebeurtenissen van de afgelopen tijd nog eens na en bedacht met wie Jans allemaal omging. 

Te beginnen met Marjolein, maar dit was geen optionele dader. Marjolein was een naïeve weirdo. Wat Jans in haar vrije tijd deed wist hij niet. Met haar uitstraling had ze stellig veel kennissen, toch kende hij alleen haar buurvrouw Jopie bij naam. Jopie was volgens Pontiac een van haar beste vrienden. Tenminste, ze waren veelvuldig in elkaars gezelschap geweest en Jans had weleens verteld over hun dagtripjes o.a. naar de Drentse heide. Jans kon daarbij wel eens wat weemoedig kijken, alsof de uitstapjes niet alleen louter voor haar plezier waren, maar meer ook uit een betrokkenheid om Jopie uit een isolement te halen. 

Na de dood van Jopies man had Jopie hun kruidenierswinkeltje naast het café in van Ewijcksluis opgedoekt. De café eigenaar had het kruidenierspand overgenomen en bij zijn zaak betrokken. Tegenwoordig werden er eenvoudige maaltijden van goede kwaliteit geserveerd. Dat winkeltje was de plek waar Jopie jaren en jaren achtereen achter de toonbank had gestaan en alle mensen te woord had gestaan. Op de een of andere manier straalde Jopie iets uit waardoor de mensen haar van alles en nog wat toevertrouwden.. Hun sores en verdriet, de onzekerheden van hun bestaan, de roddels en achterklap. Over bijna elke bewoner in de polder was Jopie zo wel iets te weten gekomen. Kennis waar ze nooit wat mee deed en die ze na haar pensioen meenam naar haar ‘hofje’, zoals ze het tuintje om de stacaravan noemde. Als goed bewaarde geheimen. 

Wat Pontiac niet wist over Jopie was dat, na de dood van haar steun en toeverlaat, alles in Jopies leven anders was geworden. Van een open en spontane vrouw was ze veranderd in een stil en teruggetrokken persoon. Ze had nergens meer zin in, gleed van de ene depressie in de ander. Dat was ook de echte reden dat ze de winkel van de hand had gedaan. Ze kon het alleen niet meer aan. Het kostte haar moeite gewoon contact te onderhouden. Zoals voor zoveel mensen geldt die sociaal wat minder bedreven zijn,  zocht ze een uitweg op internet. Daar gekomen ging ze van de ene chat-room naar de andere, totdat  een bepaald persoon wel heel vaak contact met haar zocht. Ze vond het een rare en wilde eerst niet te veel reageren, maar hij speelde erg op haar gemoed en kwam met zoveel herkenbare feiten en levenservaringen dat haar weerstand brak.  

Voor ze het wist was ze lid van het Genootschap der Wraakengelen. Die naam had op haar een bizarre uitwerking. Dat het om engelen ging associeerde ze met bescherming. Het woord wraak gaf hieraan een wrange bijsmaak. Wraak op mensen die de tien geboden aan hun laars lapten, was volgens het Genootschap nodig om de rest van de mensheid te beschermen. Er was op de wereld onvoldoende gerechtigheid en de wraakengelen moesten dus een handje mee  helpen. Hoe overtuigd Jopie hier op den duur ook van was, ze maakten geen van haar schaarse kennissen hiervan deelgenoot. En haar oude kennissen zeker niet. Want als er op zondaars wraak genomen moest worden, dan wist de afgezwaaide kruideniersvrouw er nog wel wat te noemen. 

Jans had een vaag vermoeden van Jopies internetcontacten, omdat deze  kon discussiëren en argumenteren alsof ze nooit anders deed. Toch zag Jans nooit enige visite  in haar hof. Voor zover Jans wist bezocht Jopie alleen haar dochter nog en dat werd ook steeds minder. Het was maar goed dat zij Jopie bleef zien, had ze vaak gedacht, want anders zou ze met al haar hersenspinsels nog langzaam doordraaien. 

Toen Jopie eenmaal onder invloed van het Genootschap was, spiegelden ze haar een zwart/witte wereld voor vol goed en kwaad. En gaven haar de keus bij welke kant zij wilde horen. De goede natuurlijk, hoorde Jopie zichzelf zeggen. Vele chatsessies later had ze weer een verandering ondergaan. Ze zag heel helder voor zich wat goed was en wat fout en ook wie goed was en wie fout! En alleen het goede mocht bestaan, dat hadden haar nieuwe geloofsgenoten zelf gezegd. Een nieuw doel was in haar leven gekomen. Zo begon Jopie een lijst aan te leggen. Op de voorkant stond Goed geschreven en op de achterkant Fout. Daaronder kwamen namen te staan, nadat ze lang over die persoon had nagedacht. Haar oordeel was weloverwogen. Er was niemand die hier iets vanaf wist. Niemand. Het had een nieuwe wending aan haar leven gegeven. Het leven dat ze nu al weer bijna dertien jaar leidde. Haar vriendschap met Jans was een soort dekmantel geworden. De mensen in de polder zouden denken dat het met Jopie toch nog wel redelijk was goed gekomen. Ze was anders dan in haar winkelierstijd, maar ze onderhield contact met haar buren en met haar familie. Er was niets verdachts aan. 

Nog vaak zat Pontiac zo aan zijn keukentafel. Dan herhaalde nog eens de gebeurtenissen van de dag voordat Jans zo rampzalig de dood vond? Hij herinnerde zich dat hij zich had gesneden bij de slacht van een wilde eend. Hij had het voor Jans geheim willen houden omdat hij wist dat ze er niet van hield  als hij in het broedseizoen jaagde. Dat was niet gelukt. Natuurlijk niet, want onvoorzichtig als hij was had hij zich in de keuken schoongespoeld en daarna niet de boel opgeruimd. Hij besefte het toen Jans het pad opkwam om de boel te doen en daarna probeerde hij haar te ontlopen. Hij had een beetje een zwak voor haar gekregen en schaamde zich dat hij  tegen haar zin de eend had geschoten en daarnaast ook nog de boel had bevuild. Toen ze hem bij haar vertrek in de schuur had ontdekt, voelde hij zich als een betrapt kind. Meer nog was hij verrast geweest door de schaduw die over Jans heen hing. Hij had dit gedeelte niet aan de politie verteld, want het kon net zo goed de lichtval zijn omdat Jans zo half in de open deur had gestaan van het deel.  Maar op dat moment deed de schaduw hem meer denken als die van de Engel des Doods. Het was de schaduw van een fors wezen, dat zich als het ware over Jans had heen gebogen. Hij herinnerde zich dat zijn gezicht verstrakte en dat door Jans een siddering was gegaan. Van de aanblik van zijn gezicht of door de aanraking van deze schaduw. Wie zal het zeggen? Pontiac had de behoefte gevoeld om deze ervaring met Marjolein te delen. Het was typisch iets voor haar. Maar hij durfde niet. Er was altijd de angst in zijn achterhoofd dat Marjolein toch iets meer dan onschuldig was. Dat gedoe met die dertig verregende heksen in het bos een week na Jans dood kon toch ook geen goed teken zijn geweest.  

Pontiac en Marjolein hadden zo een heel jaar lang langs elkaar heen geleefd. Beiden met kennis en beiden met geheimen rond Jans dood. De dood die ondanks de vondst van het lijk en zoveel verdachte personen in de nabijheid, nooit werd opgelost. Met Jopie had geen van beiden ooit contact gezocht. Jopie deed er ook niet toe. Er was ook geen enkele aanwijzing dat er een link bestond tussen de dood van Jans en haar buurvrouw, die in hun ogen toch vooral een vriendin was. 

Het eerste zonlicht scheen door een kier op de keukentafel van Pontiac. De boer schoof het gordijntje opzij en keek naar buiten. Pasen naderde, het was weer broedtijd en de eenden zorgden weer voor veel overlast. Hij wist dat het tegen alle regels in was om in deze periode te jagen, maar iets dwong hem zijn jachtgeweer ter hand te nemen. Hij deed een greep in de doos patronen en liet ze in de zakken van zijn overjas vallen. Het was mooi stil weer buiten. Hij stapte in zijn laarzen; haalde de grendel van het slot en duwde langzaam de deur open. In de loop laadde hij het geweer. Maar toen hij een schaduw over zich voelde glijden, draaide hij zich bruusk om. Na de kou, voelde hij alleen nog de klap. Hij tolde om zijn as, hoorde een schot dat hij herkende als dat van zijn eigen geweer en zakte door zijn benen. Warm bloed bedekten zijn oren die nog net het wegstervend geluid van voetstappen konden horen. 

 

Marga van der Meer                                                                                 Jittina Jonker