Sil, Joya en de piepersnijders

Whammm! Zijn crossfiets gooide hij op de grond en de trapper draaide nog even door. Rrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr. Boven mijn hoofd hijgde hij uit. Ik zat daar gewoon op de stoeprand. Kluitjes gooiend tegen de dikke boom voor het huis. Hij, Joya, zweeg en dus tilde ik mijn hoofd naar hem op. Zo knalden we met onze hoofden tegen elkaar. Au! Sufkop, riep ik nog. ,,SSST, Ik moet je wat vertellen’’, zie mijn beste vriend. Een onheilspellende blik lag in zijn ogen.  Ik was er meteen klaar voor. Met Joya is er altijd wat te beleven.

 

Joya en ik spelen heel veel samen. Zeker nu we beetje bij beetje het dorp mogen verkennen. We voetballen bij de schuren van de aardappelcoöperatie, zwemmen bij de brug of bouwen een hut in verlaten tuintjes. Als de mensen hier in Van Ewijcksluis ons tegenkomen, hebben ze het altijd over Duo Penotti.  Joya is nogal bruin, zijn vaders vader is Hindoestaan; en ik ben blond, zo uit de Hollandse klei. Vandaar. Met dat ene zinnetje van hem begon ons avontuur. Wil je het ook horen, lees dan verder.

 

De ontdekking

Toen Joya zo sprak, wist ik meteen dat het iets bijzonders moest zijn. We waren alleen; de meiden uit onze straat waren nergens te bekennen. Hij liet me ook beloven dat ik het, wat het ook was, niet verder zou vertellen en wenkte me om mee te komen. Hij wilde weten of ik mijn zwembroek aan had. Ik had geknikt. Zwijgend waren we naar het water bij de brug gelopen. Je moet weten dat het hier zomers een hele drukte is. De halve polder wil wel duiken van de brug of springen van de sluizen. En anders hangen ze wel rond op het gras of op het terras van De Brug, het café dus.

Die dag waren er weer veel mensen, maar Joya stoorde zich er niet aan. Hij liep meteen door naar de lage sluis en sprong met een ‘reuze bom’ in het water. Mike en Dennis – jongens van de overkant – waren er ook, maar vluchtten snel weg. Ik sprong recht als een spijker en zo lagen we dus met zijn tweetjes in het water. Joya reageerde snel. ,,Kijk’’ zei hij ,,als je naar beneden zwemt, zie je in het beton een raampje zo groot als een stoeptegel.’’ Ik was verbaasd. ,,Hoe weet je dat nou?’’, vroeg ik nog. Het antwoord was simpel. Met je neus langs de stenen en je ogen open kon je het volgens hem makkelijk zien. Achter het raam scheen een zwak licht. Joya ging me voor. Toen hij weer boven kwam, wees hij schuin naar beneden. Naar ‘de plek’. We gingen samen kopje onder. Een paar meter naar beneden is voor ons geen probleem. Toch moest ik eerst weer boven ademhalen, voordat ik bij de tweede poging het raampje bereikte. Maar wat had dit nu te betekenen?

 

We besloten het later verder uit te zoeken. Daar kwamen Mike en Dennis al weer aan. Ook de meiden uit de straat waren op komen dagen met wat vaders en moeders. Omdat het zo gezellig was, werd er drinken en eten gehaald. We moesten er stiekem vandoor om de kans te krijgen met elkaar over dat raampje te praten. Tussen het eendenhok en de roeiboten had niemand zicht op ons. Joya had er al een nachtje over geslapen en dacht dat er een gevangenis onder de brug zou kunnen zijn net als bij kastelen. Maar misschien was het wel een onderaardse gang net als bij de metro in de stad. Mijn moeder had me eens verteld dat er vroeger in Van Ewijcksluis een tramstation was; de tramlijn  ging door de polder achter ons huis. Joya zei dat we een oude kaart nodig hadden om te kijken waar de gevangenis of de gang op uit kwam. Boeken zouden ook kunnen helpen of de verhalen van wat oudere mensen in Van Ewijcksluis.

 

Geluid van onder de grond

De eerste week na onze gezamenlijke duik deden we niets anders dan bij oude mensen stof afnemen en/of boeken sorteren. We zochten spullen, zogenaamd voor de rommelmarkt en babbelde met Dennis’ opa die hier vroeger politieman was. Het leverde allemaal niets op, ook niet toen we tot de werkkamer van opa Krijger doordrongen. Die is aannemer en heeft zo’n beetje alles in het dorp gebouwd.

 

Na die week zaten we weer eens op de walkant en besloten we deze af te zoeken naar meer tekens. Misschien zat achter de grote stenen die de wal op zijn plaats houden wel een geheime opening. De andere kinderen raakten er al aan gewend dat we ons steeds afzonderden en lieten ons met rust. Zogenaamd zochten we bierdoppen, maar stiekem tuurden we tussen de stenen naar kieren en naar licht. Eerst vonden we niets. Teleurgesteld gingen we terug en we schopten tegen de stenen. De hoop hadden we allang opgegeven, maar Joya schopte wel wat roest bloot. Er lag een plasje water waaruit langzaam bubbeltjes opstegen.  Toen ging het snel. ,,Komt er lucht uit de walkant?’’, vroeg Joya. We haalden nog wat stenen weg. Er kwam een pijpje vrij. Als je je oor er op legde om te luisteren, hoorde je in verte geluiden. Machines die knarsten en kraakten. Door het pijpje kwam lucht. Het zou een ventilatiekoker kunnen zijn, dacht Joya hardop. Hij zei dat we de stenen snel terug moesten leggen. Niemand had wat gezien. Het was een grootse ontdekking. Niet alleen was er dus toch een onderaardse ruimte er was daar ook wat aan de hand. ,,Wat moeten we doen’’, had ik gezegd, half tegen Joya half tegen mezelf. We besloten er eerst een nachtje over te slapen.

 

Die avond was het volle maan en ik droomde. De oude tram reed weer over de trambaan de polder in. Er achter waren meer dan tien wagons gekoppeld. Boven op de eerste stond een gebocheld vreemd figuur. De wagons zitten vol met wat.. ? Ik kont het niet zien. Toen ik me wat uitrekte om het beter te bekijken, viel ik uit mijn bed. Weg tram, weg droom.