De ontdekking van de Van Ewijcksluis

September 2010, door een passant

Hoe vaak scheur ik niet door Van Ewijcksluis? Ik passeer het gemaal, neem de eerste bocht, werp een snelle blik op de woonarken en trek op in de richting van de ophaalbrug. Ik let op het asfalt, een voorganger, een paar herkenningspunten. Mijn blik staat op oneindig, mijn hoofd is bij de agenda van die dag en mijn voet speelt met het gaspedaal. Nog een bocht en dan hup de brug over. Ik heb net genoeg tijd om te denken dat het huis waar ik op af rij toch wel een erg mooie gevel heeft. Na de brug geef ik een rukje aan het stuur en zwaai links af. Weer gas geven, het dorp uit. Dag palingboer, de plicht roept. Het is dagelijkse routine. Mijn sluiproute, en zeker niet alleen die van mij, gaat dwars door het dorp. Op goeie dagen heb ik wat meer oog voor de natuur. De ‘peking’eenden die midden op de weg zitten, paarden in de wei en schapen op de dijk. Bewoners die in zuidwesters gestoken de hond uitlaten en met aardappelen of uien beladen trekkers die hun vracht komen lossen. Veel meer is me nooit opgevallen; volgens mij is het er ook niet. 

 

Vandaag staat de brug open. Mijn oog valt op het witte bord rechts van de brug met de titel: De Van Ewijcksluis. De rest is vanuit de auto onleesbaar. Ik heb hier eerder voor de geopende brug gestaan en ook toen was het me al opgevallen. De aanhef heeft me nooit echt losgelaten. Waarom toch dat woordje ‘De’? Is er soms iets bijzonders aan dit volgens moderne maatstaven verlaten dorp; puist aan een sluiproute en tegen de noordelijke dijk gedrukte, laatste, amper vierhonderd bewoners tellende, woonkern van de Anna Paulownapolder? Dé van Ewijcksluis?

Ook nu weer blijft het net niet leesbare bord me bezighouden. Op het werk bedenk ik me dat ik de middag vrij heb. Waarom zou ik niet…. Op de terugweg zet ik mijn auto op de naar mijn weten enige parkeerplaats naast het plaatselijke café (dat hebben ze wel). Ik wandel over de brug, wat al meteen meer plezier geeft dan er in een auto overheen denderen, en keer me om om de kleine lettertjes op het bord te lezen. Ik voel me wel een beetje belachelijk; geen belangstellende toerist, maar een al te nieuwsgierig mens. De tekst onder de veelbelovende aanhef is teleurstellend, het blijkt niet over het dorp te gaan, alleen maar over de sluis. Die sluis, ze is me nooit zo opgevallen omdat de deuren staan altijd open staan, was hier eerder. Aangebracht in 1846, bij het begin van de droogmakerij, moest deze het water van de Waddenzee uit de polder houden. Een illustere dijkgraaf gaf, volgens de tekst op het bord, zijn weinig zeggende naam aan de sluis. Ondanks of juist door het gebrek aan informatie is mijn fantasie nu toch geprikkeld. Deze plek was van groot belang voor de Anna Paulownapolder. Jammer toch dat niemand daar meer bij stil staat.

Als ik terugloop naar de auto, valt me op dat de binnenhaven toch groter is dan ik dacht en dat er best aardige bootjes liggen. Het uitzicht, de Ewijcksvaart af, is bijzonder mooi. Tja denk ik dan, wie staat er eigenlijk stil bij Van Ewijcksluis anno 2010. Wie weet wat er schuilt achter de verzameling voornamelijk oude huizen aan de rand van een veelgebruikte sluiproute. Welke automobilist heeft hier de rust echt geproefd, de bewoners gegroet, de wind in zijn haren gevoeld, terwijl hij zijn verbeelding toestond met hem op de loop te gaan? Het lijkt me opeens geen gekke invulling van een lege vrije middag. Ik leeg mijn lunchtrommeltje bij de ‘peking’eenden die al een tijdje achter me aan waggelen en ik leeg mijn hoofd om alle indrukken op te slaan die ik op deze ontdekkingsreis hoop op te doen.

Het is nog maar net herfst, bewolkt en het waait pittig. De bootjes liggen te dobberen. Golven slaan tegen de kade. Een laag zonnetje ontneemt me het zicht, verdwijnt achter grijsblauwe wolken, en komt dan weer terug. Het seizoen is ten einde. Het enige levende wezen hier is op dit moment de havenmeester. Hij is bezig een achtergelaten boot achter zijn eigen kottertje (ik heb geen verstand van boten) te binden. Hij ziet me kijken. De boot ziet eruit alsof deze van de bodem is opgetakeld. ,,Verwaarloosd’’, is zijn achteloos commentaar. Als ik blijf staan, draait hij een shaggie. ,,Er zijn geen vrije plaatsen meer in deze haven’’ weet hij. ,,Wie een plek heeft laat hem niet gauw los, ook al wordt er weinig gebruik van gemaakt. Boten liggen hier beschut en redelijk veilig. Soms moet je de mensen wel eens op hun plichten wijzen.’’ Erg druk kan hij zich er niet over maken. De boot wordt naar de koper gebracht, ook al was die hem al bijna weer vergeten. Nog een leuk tochtje door de binnenwateren, dan zit ook voor de havenmeester het seizoen erop.

Ik loop door. Een enorme schuur scheidt de bewoonde wereld, in dit geval wat ruim aangeduid, van de haven. Een aardappelloods, zo blijkt. Er kom een trekker aangereden om zijn vracht te lossen. Het geluid van ventilatoren wint het van de niet aflatende wind. Het kolossale gebouw past niet in het dorpsbeeld. Foto’s in het café leren me enige tijd later dat het vroeger anders was. Ooit stond hier het tramstation. Vanuit Van Ewijcksluis werden landbouwproducten uit de Oostpolder, het oostelijk deel van Anna Paulowna, landinwaarts vervoerd, terwijl goederen bestemd voor het eiland Wieringen over het spoor Van Ewijcksluis binnenkwamen. Vanuit het dorp werd een veerdienst met het eiland onderhouden. Toen in 1916 de dijk doorbrak en bijna de hele polder onder water kwam te staan, dat weet ik zelfs, kwamen de reddingsmiddelen over deze trambaan. Van het spoor rest alleen nog een fundering, een brok beton in het water tussen Van Ewijcksluis en de Oostpolder. Ik zie het als ik de achterkant van een tweede, oudere loods bereik. Je heb van hier een mooi uitzicht. De boeren zijn hard aan het werk. De aardappeloogst is halfweg. Het geronk van trekkers en rooimachines voegt zich bij dat van de ventilatoren en blijft me nog lang achtervolgen.

Rechts leidt de weg naar een overdekte manege die mijn belangstelling niet heeft, links voert een trappetje naar het Van Ewijckspad. Het pad van weleer is nu met klinkers bestraat. Aan de ene kant, zeg maar de buitenkant, staan oude, verbouwde en herbouwde woningen. Achtertuinen grenzen aan weide en vervolgens aan water. Al tuinierend (of luierend) blikken de bewoners de polder in, maar niet op deze herfstdag. Ze zitten binnen of zijn, zoals forenzen betaamt, naar hun werk. Schapen zijn mijn enige getuigen, maar eigenlijk hebben ze meer oog voor het gras. De overtrekkende ganzen hebben alleen oog voor elkaar en voor het zuiden.

Brutaal, alsof ze de oude bebouwing uitdagen, staan aan de andere kant van de straat zo ver het oog reikt nieuwe woningen. Vrijstaande huizen, makelaars zouden het villa’s noemen, met veel hout, hier en daar een wolfskap en altijd een garage. Ook hier geen mens te bekennen. Herfstbladeren waaien op, bewegen zich ritselend voort om even later onder een struik of in het rooster van een put te blijven hangen. Kapot geschoten sneeuwbesjes en stoepkrijt duiden op de tijdelijke afwezigheid van kinderen. Naar het eind van de straat toe worden de oudere huizen ouder, maar de renovatie draait op volle toeren. Een pneumatische nietmachine overstemt de meer natuurlijke geluiden. Achter de ramen, ontwaar ik in een leeggehaalde kamer een bouwvakker. Zijn rug naar me toegekeerd. 

Bij de Amsteldijk, bij de aannemer en de gerookte paling, ben ik weer op bekend terrein. Terug naar de brug kan ik een parralelweggetje volgen of de enkele meters hoger gelegen reeds eerder genoemde sluiproute. Het wordt het eerste; ik blijf onderaan in de luwte van de huizen. Het uitzicht, de dijk, is niet bepaald spannend. Er blijft me niet veel anders over dan ‘gluren naar de buren’. De huizen staan dicht langs de weg. Nieuwe daken en aanbouwtjes wisselen elkaar af. De kleuren zijn nog krachtig, De voortuintjes zijn klein maar creatief ingericht, de achtertuinen zijn daarentegen groot en wild. Misschien komt hun beurt nog. Tussendoor staan ook minder goed onderhouden huizen. De gordijntjes en meubeltjes ervan verraden dat het hier om de oudere dorpsbewoners gaat. Uit een luie stoel komt een groetende hand omhoog. Ergens wappert de was op een dakterras, verderop lapt iemand de ramen. Er passeert een kwieke zeventiger, kras, de broekriem over de buik gegespt, het ruitjes overhemd erin, vest erover. Ook hij groet, zoals in een klein dorp iedereen iedereen groet, en vervolgt zijn weg.

Terug bij de brug, beklim ik eerst de fameuze sluis. Het is een hele diepte waarin ik kijk en het grauwe water lokt niet. In de zomer is dat wel anders. Dan neemt de halve polder hier een frisse duik, hangt aan de touwen of aan de brug zelf, tot ongenoegen van passerende vaartuigen. Vandaag waait er een stramme wind, het riet ruist, een zeilboot schiet voorbij door de kleine vaargeul tussen twee eilandjes door. Dit gebied heeft een historie, die zo tot de verbeelding spreekt dat ze in alle geschiedenisboeken van de Anna Paulownapolder wordt genoemd. Het schijnt dat vroegere dorpsbewoners een aardige bijverdiensten hadden door zeewier te verzamelen en op de dijk te drogen. Dit werd later verkocht als vulling voor meubels en matrassen. Wellicht was het de vaste verbinding naar het eiland Wieringen, waar ik vanaf de sluis het zicht op heb, die daar verandering in bracht. Van het voormalige eiland ontwaar ik in de verte een vercommercialiseerde kust. Appartementen die blinken in de lage herfstzon, een surfstrand, zandstrand en als je goed kijkt een camping. De dijk, door ons automobilisten wel ‘korte afsluitdijk’ genoemd, wordt goed gebruikt. Het gesnor van rubber op asfalt is op de achtergrond nadrukkelijk aanwezig. Allen de zo nu en dan overvliegende helikopters weten het te overstemmen. Maar of je daar blij mee moet zijn? 

Een opwarmertje is te verkrijgen in Café De Brug. Het is koud vier uur en ze zijn net open. Visserstaveerne zegt het bord op de gevel en dat zie je in de inrichting terug. Reddingsband aan het plafond, zeilschepen ingelijst aan de muur en een bord met vissersknopen tegen de wand. Op de lange tafel liggen tijdschriften voor vissers, maar ook kranten, verenigingsbladen (van de dorps- en een rijvereniging), fotoboeken en kleurboeken. Een café waar alles kan. Een enkele foto herinnert aan vroegere tijden (de trambaan), toen Café De Brug volgens de uitbater nog kroeg en winkel ineen was. De uitbater is eigenlijk ‘import’, maar voelt zich goed thuis. En de zaken gaan goed. ,,Het is wel rustig nu, maar na een drukke zomer is dat wel lekker. Het terras heeft dankzij het mooie weer goed gelopen.’’ Dorpsbewoners bezoeken het café volgens hem uit traditie goed, vooral op vrijdagavond. ,,We verhuren ook kamers. Leuke verdienste vooral als het om vissers gaat. Die nemen nog eens wat in.’’ Mijn vragende blik wordt direct beantwoord. ,,De laatste groep ging niet eens het meer op, maar zat hier gewoon aan de waterkant. Vijftien visjes, maar wel dertien flessen vieux en talloze biertjes.’’ Dat is het dus met Van Ewijcksluis. Voor de een een dorp om zichzelf te hervinden en voor de ander om zichzelf in te veliezen.

Buiten is de wind er niet minder op geworden. Ik sluit mijn jas en steek de brug over. Nog een kant van het dorp te gaan. Voorbij de telefooncel, de brievenbus en het publicatiebord van de dorpsvereniging ga ik omhoog de dijk op. Onderaan de dijk staat nog in oude stijl het Veerhuis uit 1846. De veerman onderhield de verbinding met het eiland Wieringen, maar in 1926 bij de aanleg van de korte afsluitdijk werd hij overbodig. Twee panden verder staat een geheel nieuw huis met uitkijk over de dijk het Amstelmeer op. De eigenaar is nog aan het aftimmeren, zijn vrouw stapt net uit de wagen. Voor boodschappen heb je hier wel een auto nodig. Van Ewijcksluis heeft geen andere winkel dan de bierwinkel. De watersportwinkel is sinds deze zomer dicht. Het blijken de oudbewoners van het Veerhuis te zijn. De vrouw verzekert me dat dit huis, dat nu wordt bewoond door haar zoon, blijft bestaan. Althans dat is de bedoeling. Zelf is ze wat blij met het nieuwe huis. ,,Veel lichter, veel beter op temperatuur te houden en veel praktischer. En wel even wat anders dan twintig jaar tegen een dijk aankijken.’’ Het nieuwe huis staat op de plek van de oude smidswoning, ook uit de vorige eeuw, weet ze me te vertellen.  Net als bij veel andere oude gebouwen is hier wel de slopershamer ingegaan. Achter de woningen en in de kromming van de links naar afbuigende dijk ligt, geheel uit het zich, een camping. Hun camping. Ook hiervoor geldt dat het seizoen is afgelopen. Nog één weekend is er water en licht; dan ruimen de laatste gasten hun spullen op. ,,De meesten komen hier al jaren. Voor de rust, het varen of het vissen, aldus de beheerster.

Als ik mijn weg vervolg zie ik hun bootjes liggen, daar aan de andere kant van de dijk. Aan een steigertje waar ook een piepklein recreatiestrandje is. Lopend over de dijk kijk ik neer op zo’n veertig caravans. Ze zien er uit als goed verzorgde zomerhuisjes. In de tuinen bloeien de laatste vaste planten, maar de baskets zijn al weggehaald. Visserstuig hangt in de bosjes. Op de achtergrond klinkt nog steeds het geluid van rubber op asfalt. Het getik van een touwtje dat door de wind tegen een vlaggenmast slaat, doorbreekt het monotone gesnor. De mast staat bij een benzinepomp, de pompbediende fluit een deuntje.

Ik passeer met enige moeite Bert de geit, bewonder een dubbele woonboot en daal af naar een stuk nieuw asfalt dat me weer bij het normale wegenstelsel terugbrengt. De eerste de beste weg heet Sluisweg, hoe kan het anders, en loopt aan een kant dood op alweer een dijk. Twee meter hoger raast verkeer voorbij. De andere kant gaat terug naar de brug. Twee, eveneens doodlopende straatjes met nieuwbouw laat ik voor wat ze zijn. De speeltuin is nu toch verlaten en de paarden en honden hoor ik van ver ook wel. Liever ga ik nu terug om voor de ‘spitsdrukte’ weer weg zijn. De weg loopt  in de richting van de brug iets omhoog om daarna weer flink te dalen. Wanneer ik de brug nader, doemt, net als ’s morgens in de koplampen, in het gat van de ophaalbrug, het witgepleisterde huis met de fantastische gevel op.

Als ik op de brug loop, zie ik een bewoner op klompen zijn bootje instappen. Hengels en thermosfles mee. Het motortje wordt aangetrokken, gepruttel gaat over in regelmatig geronk. Het bootje gaat onder de brug door het meer op. Op de wind na is het even stil. De rust wordt echter al snel verstoord door een zich inhoudende vrachtwagen met een personen auto aan de bumper gekleefd. De namiddagspits is begonnen. Eendenpoep ontwijkend, begeef ik me naar mijn auto. Van Ewijcksluis het was het waard. Misschien kom ik nog eens terug… op een vrijdagavond.